"Zoals The Hitchhiker's Guide to the Galaxy, maar dan Vlaams, dus beter."
-Paul Pistolet, regionalist      

« Saucisson: contenu inconnu » verscheen in neon groene, strak gedefinieerde letters overheen het lillend stukje vlees. Het kaatste impotent en machteloos het ijzeren, verhitte mandje in. Bruine, aangebrande vlokken dreven in het vet eronderdoor.

Maakt er anders nen special van, als ge wilt,” werd er door een rauwe stem nog aangevuld, en onder het geluid van een mechanisch sissen, het geluid van stoom die door de frikandel zich wrong, keerde Clementijn zich langzaam en bedachtzaam naar zijn klant. « Analysant, analysant » piepte het doorheen zijn brein – het klonk wel als een vijsmachine die dol aan het draaien was in Clementijns verstand. Onbeweeglijk, doordringend staarde hij maar zijn bezoeker aan – “een frikandel special, graag,” was de stem intussen al beginnen overslaan, – en één voor één, als bij een telegram, tikten toen opnieuw de neon groene letters zich tevoorschijn, ditmaal naast de puistenkop die voor hem stond: « adolescent arrogant: risque minimal » besloten zij hun analyse van het melkgezicht, en “godverdomme” gromde Clementijn uiteindelijk bij wijze van aanvaarding van de puber zijn rekwest.

Godverdomme,” herhaalde Clementijn in stilte eens. Met zijn benen krom gespreid zoals een man die in de bosjes stond, schudde hij de worst krampachtig uit het frietvet los. Gele druppels vlogen alle kanten uit en maakten dikke, kleverige strepen op het afgeleefde bloemetjesbehang. “Godverdomme,” vloekte Clementijn nogmaals. Pijnlijk sisten rode zweertjes op zijn aangebrande, afgebleekte vel: zij etterden en bloeiden open in een kleurenpracht van vermiljoenen vleesextract – het leek wel of hij werd gegeseld door de knisperende klanken van het krakelerend vet. “Godverdomme,” perste Clementijn zijn tanden als een koppig roofdier op elkaar. Met uitgedoofde, lusteloze ogen keek hij naar het bloemenlandschap dat in rechte lijnen op het groen behang getekend stond. Eronder ging de wand in ijzerplaten over, in een bak van roestvrij staal die vol ontdooide frieten zat, en daar ontwaarde Clementijn nu onverwacht ook nog de wazige reflectie van de puber achter hem. “Godverdomme,” gromde Clementijn verbolgen naar het spiegelbeeld. Had die melkmuil het nu eigenlijk niet eerder kunnen zeggen dat zijn frikandel special moest zijn in plaats van een normal? In plaats van het te zeggen voor hij in het frietvet zat – nu stond hij hier te koekeloeren met een slappe worst waar hete olie uit gesijpeld kwam. “Godverdomme,” groeide Clementijns misnoegen langzaam tot een hoogtepunt. Hij kon het al voor zich zien wat voor een figuur hij zo moest slaan: net als een ongewerveld weekdier dansend naar de pijpen van een arrogant, maar onbedreigend stuk gezinsafval – er kaatste door zijn hoofd iets dat geleek op risque minimale. Ja: “godverdomme,” brieste Clementijn ten slotte met finaal geweld, want welke schijtluis had toch godverdomme hem dit aangedaan? Wie was het die dit toch in godsnaam op zijn kerfstok had? Welke schijtluis had zijn software nu in feite in het Frans geprogrammeerd, zo gaf hij aan de bron van zijn frustratie eindelijk haar naam.

Het was een besef dat Clementijns gedachten voor een ogenblik tot stilstand had gebracht. De tijd leek daarmee wel haar doorgaans vloeibare natuur te hebben afgestaan en plots was het of Clementijn niet langer in zijn eigen lichaam zat. De wereld kreeg kortstondig een afstandelijke, kille atmosfeer.

« Int. (intérieur), localité: friture 'La Fleur' » werd de scène fijntjes ingeleid.

Een puber stond voorover leunend naar de lauwe pinten in een uitstalraam te kijken. De rode blikjes, die normaal met de belofte van verfrissing moesten blinken (ten minste naar de normen van de commerciële mensen die de brouwer durfde sturen), hadden door de vettige condens een matte, kleverige glans gekregen. Terwijl zijn zitvlak als een kegel achteruit gestoken zat, zaten de handen van de puber stijf en convulsief verwrongen rond zijn knieën. Zijn mond, die lichtjes open stond, onthulde hoe zijn tong als dood gewicht zijn onderlip een weinig voorwaarts aan het schuiven was. Zijn neus was door de kilte van de atmosfeer wat rood en vochtig aangeschoten. Er hing een druppel aan het tipje van de neus, een druppel die bevroren in de tijd een ogenblik ontsnapt was aan de werking van de zwaartekracht. Slechts een aantal tellen later en hij zou zichzelf een weg naar onder banen.

Rondom rond sloot zich een ruimte die gedomineerd werd door haar vale, groene kleur. Het behang was van goedkoop linoleum, hetzij een soort syntheticum gemaakt: hoewel het hier en daar al wat verstorven was, had het nog steeds het harde en eenvormige karakter dat men eerder van een gummilaars verwachten zou. Een patroon van geometrisch gestileerde bloemen maakte hier een abstract, jaden landschap van, een uniforme waas van groen waaruit geen enkel individueel detail kon blijken. In een hoek sprong echter nog een plekje levendig reliëf naar voor uit het behang: « signe de vie présent » werden de contouren van een vetplant hier met een opvallend aura van vitaliteit omlijnd, en « Queenie: plante succulente & être innocente » vervolledigden de neon groene letters toen verhelderend.

Aan de andere zijde van de kamer stond een man die door een zware wolk van vochtigheid omzwachteld werd. Voor hem, op het aanrecht, lag er een ontdooid stuk separatorvlees dat dikke druppels frietvet aan het zweten was, terwijl zich achter hem de rookwolk als een ondoorzichtig stoomgordijn ontvouwde. De man had in zijn hand een lang en uitermate puntig mes. Uit het contracteren van zijn spieren kon er worden opgemaakt dat dit in volle neerwaartse beweging was en elk moment het vlees bereiken zou. Zijn blauwe wollen trui met opgestroopte mouwen onderlijnde het daarbij gespannen, pezige karakter van zijn lijf.

Het was een man met holle ogen en met ingezakte kaken. Zijn opgezwollen wallen kleurden zijn gezicht met donkerpaarse vlekken. Zijn uitgedund en vettig haar, dat futloos op zijn voorhoofd lag, fungeerde als een echo van zijn uitgebluste snor. Algemeen gesproken had zijn huid een flauwe, grijze teint verkregen, die ofwel aan ziekte ofwel aan de ongezonde kleur van de TL-verlichting was te wijten, en zijn wenkbrauwen voleindigden het plaatje: in plaats van bossig zagen zij er uit als hoekige en agressieve lijnen; zij hadden meer iets van de schuine strepen uit een url dan wat er op het voorhoofd van een mens behoort te staan.

Het was kortom een man die één en al vermoeidheid en onaangepastheid emaneerde, het soort figuur zoals men wel eens placht te vinden in een uitgeleefde, afgetakelde frituur. « Clementijn – personnage principal » doemde er dramatisch op naast zijn verkrampte, haakse silhouet. Zijn mes glom ondertussen onbedwingbaar in het licht.

Met een machinaal, abrupt manoeuvre gleed het mes doorheen de frikandel. Het vlees vibreerde even, voor een ogenblik moest het zich eens bezinnen over de reële impact van het mes, alvorens het dan losliet en in twee gelijke, nette helften rolde uit elkaar. Het stoomgordijn werd door de luchtverplaatsing uit elkaar gejaagd en stond haar massadicht karakter van zo-even af: met een kwartslag zoog een ventilator heel de rookzuil zonder tegenstand omhoog, zodat de ruimte opnieuw aan elkaar geschakeld werd. De buisverlichting flikkerde, Queenie ritselde behaagziek met haar blaadjes in het vocht, en aan het tipje van een neus kwam er een druppel los, die met een laatste glinstering zijn reis omlaag begon. De wereld was zich opnieuw knarsend in beweging aan het zetten, zoals het ook werd aangekondigd door het singulair en hol weerklinken van de druppel die uiteengespat was op de grond.

Met een ruk was Clementijn uit zijn beslommering ontwaakt en had zich naar de bron van het geluid gedraaid. Zijn blik gleed achterdochtig langs zijn schouder heen de ruimte in. Zijn wenkbrauw flitste scherp en hoekig naar het interieur van de frituur.

In het midden van de ruimte stond een plexiglazen toonbank, waarin rijen half ontdooide worsten afgewisseld werden door als piramides uitgestalde stapels pinten. Voorbij het transparante glas van deze toonbank stond de puber met een dwaze blik naar Clementijn terug te staren. Zijn mond, die nog steeds onveranderd open hing, benadrukte de leegte die verborgen ging achter zijn ogen. Het was alsof hij recht door Clementijn aan het kijken was, als ware Clementijn iets dat zodanig onbegrijpbaar was, dat hij hem simpelweg fysiek niet registreren kon. Het gaf hem de expressie van een veedier dat was onderbroken bij het grazen. Een nieuwe druppel was zich ondertussen alweer aan het vormen aan het tipje van zijn neus. De gele schijn van de verlichting werd er glimmend in weerkaatst.

Een huivering doorkruiste Clementijns gespannen, pezig lijf. Vol weerzin scheurde hij zich van de aanblik van de puber af en richtte toen zijn aandacht opnieuw op zijn werk. Waar was hij gebleven, vroeg hij zich in stilte af. Het was een gedachte die nog niet echt vorm gekregen had, een losse bundeling signalen die nog niet aan specifieke plaatsen toegewezen waren. De frikandel lag dampend en in twee gekliefd te wachten op zijn verder lot. Verkrampt greep Clementijn de randen van het aanrecht vast en slaakte een sonore, diepe zucht. Waar was hij gebleven, probeerde hij nogmaals. Inwendig vuurden zijn neuronen af in alsmaar groteren getale: clusters van hen lichtten op en kleurden stelselmatig zones van zijn hersens in, totdat zo langzaamaan het hele grondgebied van Clementijns bewustzijn suisde van bedrijvigheid.

« Initialisant, initialisant » sneed een flinterdunne, metallieke stem door zijn gedachten heen. De stem werd vergezeld van een steeds hogere en scherpe klank, een klank die snerpte als een spoel die alsmaar koortsiger werd opgedraaid. Een lichte toets van misselijkheid vertroebelde terzelfder tijd zijn hersenvocht, en het mondde dan ter hoogte van zijn slapen in een felle pijnscheut uit. « Système: remise à zéro complète » flitste het kortstondig in de duisternis.

De aanblik van de frikandel werd in hernieuwd detail en onafwendbaar op zijn netvlies gefixeerd. De glanzende partikels frietvet op het vlees creëerden doorgebrande vlekken in het beeld. Hoe harder Clementijn zich op het separatorvlees probeerde concentreren, hoe meer de vlekken hem de indruk gaven dat ze in beweging waren. Ze veranderden in dansende en prikkelende lijnen, schaduwwormen die in hoopjes door elkaar aan het krioelen waren. Hoewel hij eigenlijk nog steeds beschikte over het voornaamste deel van zijn gezichtsvermogen, riep de massa wriemelende wormen de illusie op dat hij in werkelijkheid volledig blind geworden was. De beklemming hiervan dreef zijn bloeddruk onbeheerst de hoogte in.

Clementijn werd draaierig: instinctief sloot hij zijn ogen weer en wreef er dan in een vermoeid gebaar met duim en wijsvinger eens door. « Opération interrompue, rétablissement en cours » waarschuwde de metallieke stem inmiddels bereidwillig, doch formeel. Een opeenvolging van klikgeluiden en elektrische impulsen maakte duidelijk dat allerhande secundaire subroutines nog aan het herstarten waren.

Hoeveel schade had hij zichzelf gisteravond toch berokkend, lamenteerde Clementijn intern. Als antwoord gleden vage droomgezichten elk om beurt voorbij zijn geestesoog, een serie wazige herinneringen die als transpiratie zijn gemoed bezoedelden. Het rode blikje bier bijvoorbeeld, dat hij sluiks uit de frituur had mee gegrist: het had stroperig geschuimd wanneer het open was gesist, een kleverige, dikke moutsiroop die bruine bellen op het blikje had gevormd. Clementijn kon zich nog horen pochen hoe het drankje door zijn ignorante werkgever bekostigd werd. “Traktatie van de firma,” had hij zelfvoldaan gezegd, alsof zijn kleine diefstal werkelijk een imposante krachttoer was geweest. Wat een ongecontroleerd, kleinzielig wezen Clementijn toch was!

Een shotglas slivovitsa kwam vervolgens nonchalant in zijn herinnering gerold. De amberkleurige cognac was door een onfortuinlijke beweging uit het glas gespild. Een barvrouw keek afkeurend naar het beekje, dat meanderend de rand bereikt had van het tafelblad, en Clementijn probeerde het intussen in te dijken met de wollen mouw van zijn marineblauwe trui. De drank verspreidde haar typerend alcoholische aroma van gefermenteerde pruimen in de lucht. De geur, die Clementijn op een normale dag zou laten watertanden, vervulde hem nu in zijn misselijke toestand enkel nog van spijt. Spijt! – Clementijn had spijt van gisteravond! Nooit meer! – Nooit meer mocht hij zo zijn zelfbeheersing uit het oog verliezen, beet hij bitter naar zichzelf.

Plots drong zich een beeld op van Cornelius De Wreker die een maniakaal gekakel uit zijn keelgat aan het persen was. Hij was schaamteloos een gevel met urine aan het attaqueren, terwijl Clementijn naast hem een hikkende tirade over de volkomen zinloosheid van het frituurberoep had ingezet. De herinnering was vaag, maar de details die nog aanwezig waren, voelden uitermate realistisch aan. Het bloed trok uit zijn hoofd naarmate Clementijn het tafereel steeds beeldender voor zich verschijnen zag. Hij was veel te luid geweest, het was beschamend dat hij alles zo publiekelijk had uitgekraamd. “Wat een dwaze job! Wat een dwaze job!” had hij herhaaldelijk als een barbaar staan roepen in de straat. Zo een ongeremdheid was toch nergens nodig voor geweest, kastijdde hij zichzelf. Was het dan met zo'n onnozelheid dat hij zich in de aandacht van zijn medemensen werken wou?

Wat een dwaze job,” herhaalde Clementijn per ongeluk luidop. Hij verschoot van het weerklinken van zijn eigen stem en werd erdoor weer naar de werkelijkheid gesleurd. Argwanend keek hij nog eens naar de puber achter hem, maar tot zijn opluchting had deze niet bepaald iets opgemerkt. De puber stond nog altijd in dezelfde uitgezakte houding die de innerlijke leegte van een mossel suggereerde. Om de één of andere reden had de puistenkop een broek uit beige zeilstof aan. Het was Clementijn voordien nog niet zo opgevallen, maar hij zag nu dat er op zijn kruis een soort van vochtvlek was ontstaan. Het was geen grote vlek, hoogstens iets ter grootte van een druppel maar, maar het vlekje was aanwezig desalniettemin. In haar tegenwoordigheid was het of er verder niets meer was dat nog bestaansrecht had: de vlek en haar aanwezigheid slorpte werkelijk de hele wereld op.

« Exécutant: manoeuvres d'évasion » informeerden snelle, groene letters, terwijl Clementijn zich walgend wegtrok van het adolescent tableau vivant. Het opschrift knipperde een aantal keren alarmerend, voor het integraal vervaagde toen zijn hoofd tot stilstand kwam. Geheel gehoorzaam aan de wetten van mechanica kwakten Clementijns verdroogde hersens nog eens pijnlijk op zijn schedelpan.

Clementijn trof zichzelf opnieuw in dezelfde, identieke situatie als tevoren aan: starend naar de welbekende frikandel die nog steeds onverrichter zake op het aanrecht lag, becontempleerde hij waar hij nu toch mee bezig was geweest. Het was hem alleszins wel duidelijk dat hem nog iets te doen stond met het vlees: de binnenkant stak zompig roze af tegen het licht gebruinde exterieur, terwijl er iets in Clementijn hem aan het zeggen was dat de frikandel zowel vanbinnen als vanbuiten dichtgeschroeid moest zijn. De kleine spiertjes rondom Clementijns vermoeide ogen spanden zich steeds strakker op naarmate hij zich harder aan het concentreren was, en in een ogenblik van helderheid ontstond er toen een flikkering van inzicht in zijn blik. « Chargement à 100% » hamerden de groene letters vol dramatische verlossing naast het vlees: « Programme II lancé: la préparation spéciale ».

Het mes schoof in een vlotte, ongehinderde beweging onder de doorkliefde frikandel. Spieren trokken in een bijtend spasme samen en hermaakten zo het mes tot hefboom voor het vlees. De beide helften vlogen even moeiteloos de hoogte in: hoewel zij elk afzonderlijk hun baan aflegden, deden zij dit met eenzelfde elegante kromming en bestendige momentum. Het frietvet had zich ondertussen een eensluidende en vredevolle uitstraling verschaft, met een oppervlak dat glad en onbewegend was en slechts zo nu en dan eens openbrak met het geluid van kleine zweepslagjes. Een haakje in de ketel hield het mandje over het gespannen vet gesuspendeerd, terwijl het vlees haar neerwaartse beweging naar het mandje was gestart. Nog voor de worst de kans gekregen had om op het ijzerwerk te kaatsen, had de middenvinger van zijn ander hand het mandje met een minuscule tik haar hengsel uitgetild. Het geheel werd onderhevig aan de zwaartekracht en werd geruisloos voor een tweede bakbeurt opgeslorpt door het onhelder gele vet. Bijna dadelijk ontstonden gewelddadige en dikke, witte bellen die het oppervlak omhoog deden gedijen. De kleine zweepjes werden duizenden explosies: de ruimte werd pungent door het lawaai gevuld; de hete olie boerde een massieve, bruine rookzuil uit.

Clementijn had onverstoorbaar de gehele keten van gebeurtenissen overschouwd zoals ze zich in afgemeten schakeltjes had afgespeeld. Rationeel bekeken was het een banale handeling geweest, niet meer dan slechts een stukje separatorvlees dat in het ongezonde en vervuilde vet gedompeld werd. Het was nu niet bepaald dat men voor deze job een groot genie moest zijn, maar Clementijn was toch tevreden over de precisie en het vakmanschap waar hij het mee had uitgevoerd. Zijn oog viel opnieuw op het mes dat losjes in zijn handpalm aan het rusten was. Hij kon zich zelfs niet meer herinneren wanneer of hoe het in zijn hand terechtgekomen was. Was dit hoe extensief de schade was? Was dit de consequentie van zijn uitspatting vol alcohol? Of beklemtoonde het eerder welk een voordeel deze slaafse situatie gaf? Clementijn moest grijnzen van zichzelf zo hard gelijk te geven, want effectief: hoe plat en ongeïnspireerd als deze job dan ook mocht zijn, het bood hem op zijn minst de vrijheid om te denken wat hij wou. Er was geen enkele verplichting om mentaal present te zijn voor deze baan, en Clementijn gaf zich dan over aan een uitgebreide vorm van cruisecontrol. Zijn lichaam kon op spiergeheugen wel wat verder gaan.

Curry- of tomatenketchup?” voelde hij nog net onder zijn adem langs zijn lippen gaan. Het antwoord had hij al niet meer bewust gehoord. De geur van zweet kwam ongedwongen uit een pot ajuinen aangewuifd. De antenne die zijn neushaar was, begon te trillen van genot.

Want het was een warme en bedrukte dag geweest: de verbuigingen van « être » krulden op vergeelde vellen langs de muren naar omhoog, terwijl de klamme dijen van mevrouw De Visscher vochtig kleefden aan elkaar. Haar naakte arm, een vlezig en robuust stuk marmer overdekt met blauwe aderen, had kort geleden nog gebiedend naar de « imparfait » gebaard. Het klaslokaal hield voor een opgespannen ogenblik haar adem in.

J'étais, tu étais, il était,” begon zijn klasgenoot Cornelius met overgave voor te lezen. De woorden rinkelden doorheen de stilte en vervulden zo de ruimte van een uitgesproken heldere ritmiek.

Clementijn verkende de ontblote delen van het lichaam van zijn lerares. Zijn ogen streken langs de gulle, blanke schouders die door haar satijnen haltertopje prijsgegeven werden. Om het tempo van de voordracht aan te geven, was mevrouw De Visscher met haar vingers zachtjes langs de woorden op het vale, gele vel aan het passeren. Haar triceps, een ontspannen massa vol van papperige tederheid, vibreerde mollig en melodisch naar beneden. Haar hand was ondertussen langs de derde stap van de vervoeging heen gegaan: zij hadden nu het meervoud van de werkwoordsvorm bereikt.

Nous étions, vous étiez, ils étaient,” werd Cornelius De Wreker door een aantal klasgenoten bijgestaan. De toegevoegde stemmen gaven de verbuiging extra kracht, waardoor het ritme van de voordracht meer en meer begon te rimpelen in Clementijns verstand.

Een hint van stuurse haren kwam uit de humide huidplooi van mevrouw De Visschers oksel gespiraald. Hoewel hij het geen naam kon geven, prikkelden de dikke, tegendraadse haren een verlaten, afgeschermde plek in Clementijns reptielenbrein. De hitte liet haar dominantie steeds meer gelden over hem: zij accumuleerde alsmaar meer gewicht op Clementijn, terwijl mevrouw De Visschers vingers met een draaibeweging aan het zeggen waren dat het klasje verder met de oefening moest gaan. Elke kleine herpositionering van haar arm bracht in diens verborgen holtes een soort schaduwspel teweeg, dat nog veel meer van dergelijke haren aan het impliceren was. Een druppel zweet brak dwars door Clementijn zijn haarlijn heen en tuimelde vervolgens kriebelend voorbij zijn slaap. “Tous ensemble, du début,” stroomde er bevelend uit mevrouw De Visschers mond.

J'étais, tu étais,” begon het hele klaslokaal nu mooi in koor. “Il était,” mompelde ook Clementijn halfslachtig mee. De vele kinderstemmen waren langzaamaan aan het versmelten tot een continu geheel. De individuele woorden waren niet meer helemaal te onderscheiden van elkaar: enkel de cadans had nog haar overtuigend afgetekende aanwezigheid.

Mevrouw De Visscher had een stap opzij gezet en zo wat afstand opgebouwd tussen zichzelf en het vergeelde vel waarop het werkwoord stond geprint. Met gekruiste armen was zij haar gehoorzame pupillen aan het overschouwen. Haar buik zat strak maar comfortabel door haar korte, zwarte rokje ingesnoerd, hetgeen een provocerend heuveltje uit imitatieleder vormde onder haar ceintuur. Haar heupen daarentegen kregen net te weinig ruimte van het stugge materiaal: zij sprongen eerst opvallend scherp naar buiten, waarna zij hun normaliter gemoedelijke welving voor een onnatuurlijk verticale lijn inruilden. Het was opmerkelijk in welke mate haar profiel een stevig gesculpteerde naaktheid evoqueerde, zonder daarmee de impressie op te wekken dat haar ware vormen werden uitgestald. Clementijns verhitte, droge adem mengde zich met de al even hete atmosfeer. Zijn mond hing puberachtig en lamlendig open, want het was een oppervlakkig, moeizaam hijgen dat in deze hittegolf voor ademhaling door moest gaan.

Nous étions, vous étiez, ils étaient,” had het tribaal gezang het meervoud opnieuw aangevat. Het dreunde door de zware, opgewarmde lucht zoals een boor zich door een laag beton pulseren zou, hamerend en oscillerend totdat alles murw geworden was. “Vous étiez,” probeerde Clementijn nog willoos aan te sluiten, deze keer te laat om met het ritme mee te zijn.

Clementijn bemerkte hoe er zich nu in zijn eigen onderbuik iets was beginnen roeren. Door zich zachtjes af te zetten was mevrouw De Visscher met een simpel plofje op haar lessenaar geland: het meubelstuk, dat zich vooraan in het klaslokaal op een soort podium bevond, neeg op losse poten met haar vorstelijke massa mee. Clementijn verslikte zich eens in de kleverige droogte van zijn keel. Vertrekkend uit zijn onderbuik kwam er een prikkeling omhoog geschuimd, een bedwelmende sensatie die tot in zijn hoofd was opgeweld. Zijn ogen knuffelden begerig elke glooiing van mevrouw De Visschers naakte huid, specifiek haar benen die door haar te korte rokje werden blootgegeven. Zij had het ene been vol nonchalance op het andere geworpen: het zwenkte zacht en ongekunsteld op de maat, terwijl een dunne film van transpiratie glansde op haar kuit. Tussendoor waren haar vingers ook opnieuw begonnen met een boodschap door te geven aan de klas: “à nouveau; encore – ga door,” vertolkte zij geluidloos met een draaibeweging van haar hand.

Tu étais, nous étions,” vervolgde het scanderen alsmaar onbegrijpelijker. De woorden drongen nog maar fragmentair en onvolledig door tot Clementijn, zodanig opgeslorpt was hij door het verhitte bonken van zijn lijf. “Etiez-vous,” dacht hij zelfs in zijn verwarring opgepikt te hebben, hoewel hij klaar en duidelijk wist dat het niet dit geweest had kunnen zijn.

Mevrouw De Visschers billen wrongen koppig tegen het weerspannig imitatieleder van haar rok. Zij had haar armen zelfverzekerd achter zich gestrekt, haar handen als solide voeten plantend op de lessenaar, en zij leunde nu op een ontspannen wijze achteruit, waardoor een des te prominenter heuveltje ontstond ter hoogte van haar buik. Clementijn voelde zijn bloed accelereren door zijn aderen, want in dezelfde actie was mevrouw De Visscher ook begonnen met haar benen te ontkruisen. Haar lijmerige huid bleef kleven aan zichzelf, zodat er net geen onbelemmerd zicht tot stand kwam op de schaduwrijke schuilplaats van haar kruis. Onwillekeurig landden Clementijns gedachten nog eens op het okselhaar, waarvan hij eerder een subtiele glimp had buitgemaakt. De vraag kwam in hem op hoe het zou ruiken in die holtes vol met lichaamshaar: zou het kunnen geuren naar een overrijpe, zwetende ajuin, suggereerde Clementijns verbeelding plots. Een maniakaal gehamer van zijn hart verdreef toen iedere gedachte uit zijn hoofd. Het adhesief vermogen, dat mevrouw De Visschers billen tot nu toe tezamen had gehouden, begon geleidelijk aan het onderspit te delven. De huid van haar ene dij trok alsmaar harder aan die van de andere. De druk, die zich in Clementijn had opgebouwd, was van een dergelijke grootte aan het worden dat zijn oogbollen naar buiten aan het puilen waren. Ajuinlucht zweefde overheersend binnen in zijn open mond. Haar vel was meer en meer terrein aan het verliezen aan zichzelf; de poorten gingen langzaam open en de spanning culmineerde tot een hoogtepunt.

Ils étaient,” ontplofte het plots ongenadig hard uit Clementijn. De woorden schoten als een kogel langs de droge korsten op zijn lippen heen. Zijn stem sloeg van de krachtexpulsie over en ontwikkelde een schrapende en puberale klank. Het torende qua luidheid onbetwist over de stemmen van zijn klasgenoten uit.

Wit, synthetisch, eier-emulgaat: het mayonaise simulacrum slingerde in dikke touwen uit het tipje van de spuit. De saus distribueerde zich over de glazige ajuin, die in een strook van kleine blokjes lag te midden van de beide helften vlees. Het wit plastiek containertje, dat deze compositie van ajuin en vlees tezamen hield, had Clementijn afwezig in zijn ene hand geklemd. Zijn ander hand was furieus doch automatisch op het pompje van de sausdispenser aan het stampen: de mayonaisezak zat bijna op zijn eind, waardoor het wel wat moeite kostte om de laatste beetjes saus naar buiten te forceren.

Clementijn werd zich geleidelijk aan bewust van het volume zweet, dat door zijn haarlijn was gebroken en zich op zijn voorhoofd in een dikke, natte laag gevestigd had. Niet dat hij al helemaal teruggekeerd was naar het hier en nu: het was nog maar een dof en instinctief bewustzijn, dat door de gewaarwording werd uitgelokt.

Het frietvet was al heel de tijd naast hem een veld van oppressieve, broeierige hitte aan het genereren. Het was een zone van verzengende en dikke lucht waar Clementijn geheel door werd omringd. Zijn hand, dat werkloos rustte op de hendel van de mayonaisepomp, bewoog zich ondoelmatig naar zijn voorhoofd toe. In een halfbewust manoeuvre werd het zweet opnieuw zijn haarlijn ingeduwd, waardoor de mouw van zijn marineblauwe trui zijn reukorgaan een ogenblik genaderd was. Partikels van de slivovitsa van de nacht voordien ontploften uit de afgesleten wol: het propageerde het typerende parfum van pruimendistillaat, hetgeen onmiddellijk met vol vermogen Clementijns gedachten binnendrong. Misselijkheid ontwaakte opnieuw als symptoom van de vergiftiging die hij zichzelf had aangedaan, en samen met de walging die hij hierdoor voelde, verspreidde er zich als een ziekte ook een woekerende schaamte over hem. Het was voldoende om hem helemaal uit zijn herinneringen aan zijn schooltijd weg te rukken. Geprikkeld als hij was door de malaise die zich zowel corporeel als gevoelsmatig gelden deed, werd Clementijn genadeloos terug gedwongen naar de werkelijkheid. Door de hitte van het frietvet was de mayonaise al beginnen schiften op het vlees: haar oliebasis dreef doorschijnend op de zwaardere substantie van het wit.

Juist,” articuleerde Clementijn ontwaakt, terwijl hij naar de frikandel special in opbouw aan het kijken was. « Programme II: la préparation spéciale » bekrachtigde de robotstem nog eens waar Clementijn zich van bewust geworden was. De 2de bakbeurt van het vlees was vrijwel ongemerkt tot een goed eind gebracht geweest; de beide helften vlees waren geruisloos naar het wit plastiek containertje verhuisd, en ook de mayonaise en ajuin hadden de plek bereikt die voor hen was gereserveerd. Zonder het te weten had de frikandel special zichzelf zo goed als afgewerkt: er ontbrak gewoon nog 1 finaal ingrediënt aan het gerecht.

Curry- of tomatenketchup?” wendde Clementijn zich naar zijn klant. Vaag besefte hij dat hij de vraag reeds had gesteld. Zijn blik zocht doelloos naar de innerlijke leegte van het melkgezicht, maar op de plaats waar hij het had verwacht, trof Clementijn slechts een fysieke leegte aan. Het roteren van de ventilator was het enige dat nog voor leven zorgde in de kamer. De deur, die van geribbeld aluminium was gemaakt, stond op een kiertje open en liet zo een streepje tocht naar binnen. De puber had in alle stilte de frituur verlaten.

Met een zucht liet Clementijn een mengeling van apathie en ontevredenheid ontsnappen uit zijn keel. Het witte bakje frikandel werd achteloos gedropt naast het langwerpig mes dat op het aanrecht lag. Het was nu toch niet dat hij zo afwezig was geweest, bemerkte hij nog enigszins verongelijkt, alvorens hij de milde irritatie met een schouderophaal deed vervluchtigen. Als de puber het geduld niet op kon brengen voor een afgewerkte frikandel special, dan hoefde Clementijn hem niet te hebben als cliënt. Het ging dat onbeholpen stuk gezinsafval zelfs redelijk goed af: een onafgewerkt stuk vlees voor een onafgewerkt en onbenullig hoopje mens!

Een lichtjes plakkerige substantie, die zich in zijn broek verzameld had, eiste nu de aandacht op van Clementijn. Het was een weeïge en warme gloed die zich verspreidde rond zijn kruis en die de stof van zijn kledij leek aan te zuigen in de plooien van zijn huid. De warmte dissipeerde langzaam uit het kleverige spul, zodat het contrasterend met zijn lichaamstemperatuur een extra slijmerige indruk maakte. Het amplificeerde het gevoel van smerigheid, waar Clementijn al heel de tijd mee aan het kampen was. Met het zweet dat soms al opgedroogd en soms nog vochtig rustte op zijn huid, de ongewassen trui waarin er alcohol en frietvet was gestold, en zijn mond die nog steeds alle uitgedoofde smaken van de nacht voordien in zich gesloten hield, voelde Clementijn zich als een oude, vuile en gebruikte vod. Het was ten slotte maar een uur of 3 geleden sinds hij afscheid had genomen van Cornelius: Clementijn voelde zich wezenlijk erbarmelijk, zeker vergeleken met de graad van vredigheid die hij gedurende zijn fantasiemoment ervaren had.

Waarom was mevrouw De Visschers silhouet in feite opnieuw in hem opgedoken, drong de vraag zich aan hem op. De herinnering was van ver gekomen, maar was tegelijkertijd bijzonder levendig geweest. Ze had heel erg realistisch aangevoeld, maar ondertussen had Cornelius De Wreker een gekrompen versie van zijn huidige, volwassen vorm gehad, een vreemde soort homunculus in plaats van het onschuldig kinderlichaam dat hij toen behoorde te bewonen. Rationeel gezien was er van alles aan het droombeeld dat niet helemaal geklopt had, een feit dat Clementijns bedwelming echter niet verminderd had, noch had het zijn opwinding er minder uitgesproken mee gemaakt. De tegenstrijdigheden volgden elkaar zo maar op. Clementijn was aan het worstelen om de sequentie van gevoelens te benoemen.

« Attention, attention » werd hij echter opgeschrokken uit zijn mijmering voor hij zijn analyse kon voltooien. Het penetreerde zijn gedachten als een scherp, vibrerend, hoog geluid, de auditieve versie van een opgespannen bal nervositeit. Net alsof het voorbestemd was, kwam op dat moment ook onverwachts een lichtstraal door de mistbank op de horizon gepriemd. Het raakte Clementijn in zijn gezicht en maakte duidelijk hoe grijs en bloedeloos zijn huid in deze uitgeputte toestand was. De lichtstraal brandde vlekken in zijn zicht, waardoor de schaduwwormen opnieuw aan het dansen gingen, en Clementijn verloor een ogenblik de grip op zijn balans.

« Attention, attention » ondernam het schril geluid een nieuwe poging om de aandacht naar zich toe te trekken. Clementijn voelde het pijnlijk steken in zijn brein. Langzaamaan begonnen de verspreide puzzelstukjes op hun plaats te vallen, en angstvallig draaide Clementijn zich naar de oorsprong van het alarmerende geluid. De krampachtigheid van de beweging deed het lijken alsof hij zijn hoofd daarbij terug probeerde dringen in zijn romp.

« Attention: communication entrante » benoemde het robotisch schrift waar Clementijn voor had gevreesd, want naast hem, op een stalen plankje, stond een ouderwetse telefoon waarlangs er iemand hem probeerde te bereiken. Elk idee van simpelweg niet op te nemen werd onmiddellijk overschaduwd door de wetenschap dat het afschuwelijke geluid dan weer terug zou keren. Het toestel wachtte met een onderkoelde dreiging op zijn hand, en met een instabiele en aapachtige beweging griste Clementijn er dan maar bruusk de hoorn af. De zijkant van zijn hand streek daarbij voorbij Queenies blaadjes heen. De aanraking deed hen eens ritselen alsof de wind erdoor gegleden was.

Allo? Allo, Clementin?” knetterde een diep en gelijkmatig keelgeluid uit de transformator in de hoorn. Clementijn identificeerde hierin dadelijk de stem van tante Bérénice.

Clementin? Allo? Tu m'écoutes?” zocht zijn tante nog een keer bevestiging van zijn aanwezigheid, maar Clementijn was ondertussen niet meer aan het luisteren. Al zijn aandacht werd verzwolgen door het potje, waarin Queenie zat. Het stond precair gebalanceerd op hetzelfde smalle, stalen plankje als de telefoon. De bodem van het potje had voor ongeveer een 5de van haar oppervlak over de rand gestoken, maar door het aangeraakt te hebben, was het nu nog verder in de richting van de afgrond opgeschoven. Het helde verontrustend over en kon ieder ogenblik zijn valbeweging starten. Op de bodem van de afgrond knisperde het hete frietvet er vernietigend en hongerig op los.

Clementijns pupillen werden wijder en zijn ogen puilden maniakaal naar buiten. Paniek doordrong zijn ledematen, met verlamming van zijn hele lichaam tot gevolg. Zijn volledig zenuwstelsel werd door de verwarring overmeesterd; het leek alsof het overgrote deel van de fysieke wereld tijdelijk opgehouden was met te bestaan. Voor zijn ogen werd het zwart en in zijn oren werd het stil, zodat hij in die uitgedoofde isolatie overduidelijk de enige gedachte percipieerde die nog mogelijk was.

Queenie, nee, niet Queenie,” smeekte Clementijn als een gebroken man.